Over de evolutie van standbeelden
Bij het woord ‘standbeeld’ denk je toch gauw aan een groot stenen of bronzen beeld van een personage op een hoge sokkel in een park of op een plein. Om te zien wie het voorstelt moet je omhoog kijken en meestal is het een persoon naar wie de mensen ook geacht werden op te kijken. Eeuwenlang werden beelden van belangrijke personages op die manier neergezet in de openbare ruimte, hoog op hun sokkels, uittorenend boven het gewone volk.
Vergeleken met andere landen was Nederland altijd vrij karig met het plaatsen van dat soort standbeelden.* Zo bleef het aantal standbeelden van voormalige helden die door een andere visie op de geschiedenis later als misdadigers werden beschouwd, ook relatief klein. In andere landen werden dergelijke standbeelden met veel geweld van hun sokkels getrokken, maar hier werden ze (na veel discussie) voorzien van een plaquette met een beschrijving van de gepleegde wandaden.
Een van de laatste standbeelden van een beroemd personage op een hoge sokkel werd in 1955 in Wolvega geplaatst.

Standbeelden op hoge sokkels waren vanaf de jaren vijftig voornamelijk symbolisch bedoeld, zoals dat van de Dokwerker, symbool van verzet in de Tweede Wereldoorlog.

Met de groeiende naoorlogse welvaart groeide ook het zelfbewustzijn in de samenleving. Vooral dat van de jonge generatie, die geen boodschap meer had aan de oude machtsstructuren. De democratisering van de samenleving was in volle gang, met een hoofdrol voor de ‘gewone mens’. Dankzij de economische bloei was de overheid gul met opdrachten voor kunstwerken ter verfraaiing van de openbare ruimte. Er kwam een ander genre standbeelden: van anonieme maar herkenbare types uit het dagelijks leven, zoals werklieden, vissers, spelende kinderen (vaak bij een school of in een park), vrouwen met kind, echtparen (vaak bij een gemeentehuis). Meest op halfhoge of lage sokkels of ook op de grond, dichtbij en aanraakbaar.

In de loop van de tijd werden de standbeelden groter en groter, tot levensgroot. Ze stonden niet altijd meer op een afgebakende plek, maar ook op het trottoir, gewoon tussen de voorbijgangers. Zo levensecht dat je ze in het halfdonker voor levende standbeelden zou kunnen aanzien, die je dan onverhoeds een rinkelend geldbakje onder je neus houden. Van buurtbewoners krijgen ze wel eens een sjaal om hun nek of een tennisracket onder hun arm.

Bij de ingang van de nieuwe rechtbank in Amsterdam-Zuid staat sinds een paar jaar een reusachtig beeld, groter dan levensgroot. Het is een gebogen figuur met een nestje in de hand waarin een uil, een pijl en een eikel, symbolen van wijsheid, volharding en bescherming. Afgezien van de afmetingen is het een herkenbaar beeld van een hedendaags jong iemand, in dagelijkse sportkleding. De reuzenfiguur maakt een uitnodigend gebaar naar de ingang van de rechtbank, en wie weet, verbreekt de verbazing over dit beeld de spanning waarmee de meeste mensen naar binnen gaan.


Op het stationsplein voor Rotterdam Centraal staat ook een reuzenstandbeeld. Deze keer van een jonge zwarte vrouw, bijna vier meter hoog. Met haar handen in de zak kijkt ze stoer over iedereen heen. Om haar heen, ter hoogte van haar heupen, staan er altijd wel een paar mensen die met haar op de foto willen. Het is het type jonge vrouw dat je zo op straat, of in de tram tegen zou kunnen komen. Vaak in een groepje, druk pratend en lachend.

Wat mij betreft zijn deze reusachtige figuren een ode aan een nieuwe, zelfbewuste generatie. In het dagelijks leven kijk ik regelmatig op tegen jonge mensen, vooral in de tram, waar ze ver boven mij uitsteken.
Mijn grote favoriet van uitvergrote mensentypes blijft voor mij de Feestelijke Beeldenreeks van Guillaume Bijl, bij de drie entrees van de RAI langs het Europaplein in Amsterdam.
Vrolijk en fijn ongewoon.



(Antwerpen 1946 – Wilrijk 2025), RAI Europaplein, Amsterdam
*Thomas von der Dunk in het Historisch Nieuwsblad d.d. 9 februari 2024