Ongevaarlijke No Go

Altijd al eens een kijkje willen nemen in een echte achterstandswijk? Maar nooit gedaan vanwege de gedachte aan opgeschoten jongens met messen, of alleen al het ongemakkelijke gevoel als je daar rondloopt. In Rotterdam krijg je de kans. Je koopt een kaartje in Museum Boijmans, je stapt op de boot die je naar de Onderzeebootloods brengt (inderdaad, tot in de jaren zestig werden daar in het grootste geheim onderzeeërs gebouwd. Als ze klaar waren konden ze meteen onderwater de Maas in). Over de brede rivier met druk botenverkeer langs hoge kranen, havengebouwen, loodsen, in vol bedrijf. Het ziet er stoer uit. Op de voormalige scheepswerven van de Rotterdamse Droogdok Maatschappij ga je aan wal. Met je museumkaartje in de hand heb je in de onderzeebootloods toegang tot een namaak ghetto. Een museum achterbuurt. De installatie is van het Scandinavische duo Elmgreen & Dragset. In de duistere ruimte een treurig flatgebouw, uitpuilende brievenbussen en een rolstoel in de kale hal; een pissoir met louche jongens bij het flakkerende licht van half kapotte tl- lantaarns, en zo meer. In het midden een verlicht kermisrad. Wat heeft dat te betekenen? De man die het rad bedient klaagt: “Dit doe ik al drie maanden. Stomvervelend.” Een kwetterende schoolklas komt de hal binnen. Een paar meisjes gluren door een raam van de flat. Ze zien een kleine huiskamer met een t.v., een asbak op tafel, een leunstoel. Aan hun docent vragen ze: “Is dat nou kunst meneer?” Die antwoordt iets in de trant van: “Jazeker, dit geeft de werkelijkheid weer, maar net even anders”, de rest van zijn antwoord versta ik niet. Ik vraag me af wat ik zou zeggen “Omdat het door kunstenaars gemaakt is?” Een flauw antwoord, maar meer is het niet. Boijmans noemt het een zinsbegoochelende en surrealistische totaalervaring. Ik noem het te bedacht realistisch. Het enige dat werkelijk bijdraagt tot de beoogde naargeestige sfeer is de stank afkomstig van een uitpuilende vuilniscontainer.

Maar misschien zie ik het verkeerd. Daarom: Ga erheen en kijk zelf. De boottocht op zich is al de moeite waard. Net als Rotterdam. In Amsterdam slenteren de mensen over straat, in Rotterdam lopen ze gewoon dóór. Een belangrijk detail.

Tot 25 september 2011

Zie: http://www.onderzeebootloods.nl/nieuws.aspx

http://trendbeheer.com/2011/05/29/elmgreen-dragset-onderzeebootloods/

In Boijmans zelf is onder andere werk te zien van de keramiste Helly Oestreicher (1936). Bij keramiek denk ik meestal aan potten en schalen, maar dit is van een heel andere orde. Het zijn objecten van ongeglazuurde klei of porselein gecombineerd met scherp gekartelde stukken glas. Dat brosse materiaal samen met dat harde van glas is intrigerend, je zou het met je vingers willen bevoelen. Jammer genoeg ligt het in vitrines met dik glas ervoor. Op een woonblok met de nrs. 24-28 aan het Sumatraplantsoen in Amsterdam O. staan twee blauwe glazen gevelobjecten van Helly Oestreicher.  Ze doen denken aan een broek die wappert in de wind en daarom heten ze ook wel ‘de omgekeerde spijkerbroek’.

‘kleine werken’, t/m 25 september in Boijmans van Beuningen

Zie:

http://www.euronet.nl/~helios/

http://zeeburg.kunstwacht.nl/

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Geen categorie

Kunst aan de Loire

Genoeg kastelen, kunstig gebouwd en bomvol kunstschatten, meest van lang geleden. Het was vakantietijd en de belangstelling was groot. Bussen vol, die zich door pittoreske straatjes heen persten, hier en daar tegen met rozen begroeide muren aanschampend. Even dachten we erover om Chenonceaux te bezoeken, maar de gigantische rijen bij de kassa’s schrokken ons af. Wij hielden het voor gezien en we zijn verder gegaan. Pas in Nantes, aan de monding van de Loire, wakkerde onze liefde voor de kunst weer aan.

Hier geen kastelen, maar een flatgebouw van Le Corbusier, en nieuwe kunstwerken speciaal gemaakt voor plekken langs de rivier. Aan de overkant van het water was het Maison Radieuse van Corbusier al van verre zichtbaar. Op de karakteristieke schuine poten en met de in primaire kleuren geverfde vlakken staat het middenin een wat verwilderd groen gebied. Ik moet zeggen, het zag er sympathiek uit. Michel Houellebecq denkt daar anders over. In De kaart en het gebied (p. 175) noemt hij Le Corbusier een architect ‘die onvermoeibaar doorging met het bouwen van concentratiekampachtige ruimten, verdeeld in identieke cellen die hooguit goed waren voor een modelgevangenis’. Aan een oudere vrouw die naar buiten kwam vroeg ik hoe ze het vond om daar te wonen. “Ik woon hier al veertig jaar met veel plezier, dat zegt genoeg,” antwoordde ze. Peter ontdekte dat er langs de betonnen trap naar de eerste verdieping speciale gootjes waren aangebracht om het water weg te laten lopen. Dat betekent toch liefdevolle aandacht voor kleine, maar op de lange duur onmisbare details.

Al fietsend langs de oever van de Loire zagen we een ‘blob’achtig bouwsel van Joep van Lieshout. Naast het strakke architectuur instituut van Nantes leek het op een stuk uitgespuugd kauwgom. Verderop langs het water een serie ringen van Daniel Buren die ‘s avonds verlicht waren. In het donker deden ze denken aan Olympische ringen. De bars aan de overkant zagen er spannender uit, met in rood neon oplichtende namen als Le Feeling, Dolce Vita, Le Kimberley, in de deurposten welgevormde silhouetten van sigaretten rokende dames.

Met de fiets op een veerpont naar een verderop gelegen deel van de monding, waar we na een lunch met oesters en Muscadet sur Lie in een van de vele chique restaurants aan de waterkant, doorreden naar Le Pendule van de Zwitserse kunstenaar Roman Signer. Op een voormalige betonfabriek beweegt een pendule als de slinger van een klok onophoudelijk heen en weer. Volgens de kunstenaar duidt deze klok zonder tijdsaanduiding de langzame verbrokkeling van het gebouw aan, de onvermijdelijke vergankelijkheid van mensen en dingen, maar ook het doorlopend stromen van de rivier. Mooie symboliek. Op het terrein naast het kunstwerk bevond zich een kampement met sjofele caravans, oude auto’s, donkere kinderen op blote voeten die met stenen en takjes op de grond speelden. Vergeefs probeerden een paar mannen een van de roestige auto’s aan de praat te krijgen. Ze spraken een Slavische taal. Waarschijnlijk was dit de tijdelijke verblijfplaats van een van de vele door Sarkozy met €300 weggestuurde groepen Roemeense zigeuners, die direct daarna weer naar Frankrijk terugkeerden…ook een soort slingerbeweging.

De plek is goed gekozen. In zijn werk houdt Roman Signer (1938) zich bezig met het uitproberen van natuurkundige principes. Op een video is bijvoorbeeld een tafeltje te zien, dat met twee poten boven een rivier hangt. Nu en dan stroomt er water uit de twee poten en helt het tafeltje door de kracht van het water naar achteren. Ooit ontstak hij een vuurwerkraket aan een kar op een spoorrails die verderop een volgende kar in beweging zette, die kar duwde weer een andere kar aan, net zo ver als die dag was toegestaan door de Zwitserse spoorwegen. Anders was het zeker doorgegaan, tot in…wie zal het zeggen. Zo is er nog veel meer. De meesten van ons denken wel eens: “hoe zou het zijn als je zus of zo eens zou doen”, maar daar blijft het bij. Kennelijk hebben we belangrijker zaken aan ons hoofd. Gelukkig gaat Signer altijd wel verder. In Nederland heeft het Bonnefanten museum werk en video’s van hem. Op internet zijn op You Tube vele filmpjes te bekijken.

zie ook:

http://maisonradieuse.org

http://www.romansigner.ch

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Geen categorie

Over Dada

In het Joods Historisch Museum een tentoonstelling over Roemeens/Joodse avant-garde kunstenaars in het interbellum. Een interessante tentoonstelling, die een beeld geeft van  joodse kunstenaars die toen in Roemenië experimenteerden met nieuwe vormen van kunst. Noodgedwongen, want in het uiterst nationalistische en antisemitische Roemenië van die tijd hadden joden geen burgerrechten en was het verboden voor joodse kunstenaars om realistische landschappen, dorps- of stadsgezichten te schilderen – dat was alleen voorbehouden aan de ‘eigen’ Roemeense kunstenaars. Nationalisme en uitsluiting van ‘anderen’ gaan altijd samen, hebben we geleerd uit de geschiedenis. Niets nieuws onder de zon, helaas.
Een aantal van die kunstenaars richtte zich op een geheel nieuwe tak van kunst, het dadaïsme, in navolging van de dichter/schrijver Tristan Tzara (geboren als Samuel Rosenstock, 1896-1963) die in 1916 vanuit Roemenië naar het in W.O. I neutrale Zwitserland was vertrokken. In Zürich richtte hij samen Hugo Ball (1886-1927) het Cabaret Voltaire op, waar fonetische gedichten werden voorgedragen, vreemde theaterstukken en dansen uitgevoerd, ‘nihilistische’ werken tentoongesteld. Het Cabaret Voltaire werd al spoedig het middelpunt van kunstenaars uit heel Europa, onder wie Richard Huelsenbeck, Man Ray, Max Ernst, de dichter Paul Eluard, Marcel Duchamp, Otto en Ada van Rees, Theo van Doesburg, Picabia, André Breton, de cineast Hans Richter, de componist Varèse en vele anderen.

Het tijdschrift DADA werd volgeschreven met teksten als ‘Dada haalt alles door een nieuwe zeef’, ‘Dada is de bitterheid die lacht om alles wat heilig, vergeten, is in onze hersenpan, in onze gewoontes’. Dada zegt: ‘Ziehier de Mensheid en de dwaasheden die hem gelukkig hebben gemaakt tot nu toe’ enzovoort. Alles moest anders, anders moest nieuw, weg met de heilige huisjes, het militarisme, de kerk. Dada bracht een ware explosie teweeg aan creativiteit en experimenten. Het werken met onorthodoxe materialen, assemblages, collages van in de vuilnisbak gevonden spullen, klankdichten, muziek gebaseerd op straatgeluiden, noem maar op, het is voor een groot deel met Dada begonnen. Je zou willen dat je er bij was geweest. Maar in de musea is er nog genoeg over: de collages van Kurt Schwitters, van Jean Arp en Sophie Taueber-Arp, van Marx Ernst, Picabia. En niet te vergeten het werk van Marcel Janco en anderen, dat nu te zien is in het Joods Historisch Museum.

Vanaf 1960 tot in de jaren zeventig leefde Dada weer op onder de naam Fluxus, dus niet eens zo lang geleden. Wim T. Schippers en Willem de Ridder hoorden er bij. Ik heb het meegemaakt, al besefte ik toen niet wat het betekende, maar zo gaat het vaak, pas achteraf weet je of iets belangrijk was of niet, maar dan is het al weer voorbij.
Fluxus was net als Dada gericht op andere vormen van kunst met materialen van de straat, andersoortige muziek (met dank aan John Cage), waarin het ritselen van een papiertje ook muziek was, manifesten waarin ‘de kunst gepurgeerd moest worden van oude gewoontes en denkbeelden’, en ook een internationale beweging, met kunstenaars uit Europa en de VS. De ‘onnuttige’ machines van Tinguely hoorden ook bij Fluxus. Op Art-Zuid staat een van zijn grote machines, die ieder uur een groot kabaal maakt. Een kleine in het Stedelijk, die mag je zelf in beweging zetten.

Nam June Paik, Concerto for TV Cello and Videotapes, 1971, bespeeld door Charlotte Moorman, 1971

Dat Stedelijk, waarom moest het toch groot, grootser, grootst?
Zal ooit, in de verre toekomst, zeg 2050, ook een wethouder met een zware hamer de grote glazen overkapping (nu nog in aanbouw) stuk slaan, omdat die dan “niet meer van deze tijd is”?

Zie: http://www.jhm.nl/

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Geen categorie