Categorie archief: Geen categorie

Gefantaseerde stad

Wolkenkrabbers, het woord zegt het al, gebouwen die tot aan de wolken reiken. Wat een durf, en maar stapelen, als kinderen met een blokkentoren: “kijk eens hoe hoog ik kan”, op het gevaar af dat andere kinderen reuze zin krijgen het hele bouwsel omver te gooien – sinds 9/11 weten we maar al te goed dat zoiets niet alleen aan kinderen is voorbehouden. Een wonder dat het niet vaker gebeurt, de verleiding is groot. Al die fantastische wolkenkrabbers, in New York, Chicago, Singapore, Hongkong, Shanghai, Dubai, noem maar op, zinnebeelden van het grootkapitaal, prestigeobjecten van multinationals en banken, gewaagde ontwerpen van wereldberoemde architecten.

Tussen haakjes, elkaar de loef afsteken met torenhoge gebouwen is niet alleen van deze tijd. In de dertiende eeuw deden rijke families in het Toscaanse stadje San Gimignano niet anders. Daar kwam de hoogste toren tot 70 m. In het naburige Lucca werden eikenbomen op de torens neergezet om ze nog hoger te maken.

Stel dat het horrorscenario van een wereldwijde economische crisis bewaarheid wordt – zoals de voorspelde horrorwinter nu eindelijk is aangebroken – dan zullen al die kapitale gebouwen leeg komen te staan, langzaamaan af brokkelen en op den duur instorten. Zo ging het ooit met het Forum Romanum, de Acropolis, Persepolis, Babylon, zinnebeelden van vergane glorie.

Daarvan geeft Rik Smits (1982) in Galerie Ronmandos alvast een voorproefje. Op manshoge, minitueus uitgewerkte tekeningen verbeeldt hij gebieden vol lege gebouwen en wolkenkrabbers, onbeweeglijke auto’s op kaarsrechte wegen, een zeppelin in de lucht, geen mens te zien, het ziet er doods uit. Hier en daar is het verval al zichtbaar: gaten in een muur en als enig levend element opkomend onkruid.

Die toekomst is al zichtbaar in Amsterdam Z.O., een heel gebied met lege kantoorgebouwen. Voordat het verval daadwerkelijk intreedt zou het toch mooi zijn als daar kunstenaars en ander creatief volk introkken. Kunstenaarsstad Zuidoost, een utopie.

Op de tentoonstelling hangen ook afbeeldingen van maquettes van Constant (Nieuwenhuys, 1920-2005) van zijn grote project New Babylon, een stad van de nabije toekomst, waar de creativiteit van de mens tot volle wasdom zou komen, zou móeten komen, nu de tijd was aangebroken dat machines het meeste werk deden en de mens over meer vrije tijd beschikte dan ooit. Een stad waar de mens zou kunnen spelen en wonen naar eigen inzicht, zeggenschap zou hebben over zijn eigen leven. Het is er nooit van gekomen. Heel even misschien, in de jaren zestig, toen Amsterdam bruiste van de creativiteit en alles mogelijk leek. Die tijd is voorbij. De stad is allang niet meer van ons en iedereen is druk druk druk. Ondanks nog meer tijdsbesparende machines.


Het is wel ironisch dat uitgerekend op een van de meest onherbergzame plekken in Den Haag, bij het kille Centraal Station en ongenaakbare ministeriegebouwen, een complex met de naam New Babylon verrijst. Een torenflat met dure ‘residences’, ‘business centres’, ‘offices’ en ‘shopping malls’. Niks spelende mens. Alles voor de werkende en consumerende mens.

Simon Vinkenoog met Constant in gesprek over New Babylon (1962):
http://eeuwvandestad.nl/archives/285

Meer over New Babylon in Den Haag:
http://www.newbabylon.nl/

Rik Smits: Above the Clouds
Constant: New Babylon 1956-1974
tot 18 februari in Galerie Ron Mandos, Prinsengracht 282, Amsterdam
http://www.ronmandos.nl/exhibition/current
http://www.riksmits.net/

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Geen categorie

Het draaiend huis van John Körmeling

Een woonhuis op een verkeersrotonde, wie verzint zoiets? Type doorzonwoning, de naam zegt het al, zo’n huis waar je dwars doorheen kijkt. Maar in plaats van uitzicht op een aangeharkt tuintje met daarachter precies dezelfde woning met tuintje, rij na rij en ga zo maar verder, kijk je uit op langsrazend verkeer, om gek van te worden. Gelukkig maar dat er niemand hoeft te wonen.

Het huis staat op rails en draait in twintig uur eenmaal de rotonde rond; voor een automobilist die van niets weet en een paar uur later weer over de rotonde rijdt, moet het een verwarrend gezicht zijn: ‘Hè? Dat huis stond toch eerst tegenover het stoplicht rechts?’ De rotonde met het huis ligt in Tilburg, daar waar de Ringbaan West en de Ringbaan Noord samenkomen.

Aan de kant van de Hasselstraat staan stenen banken waarop je het eens goed kan bestuderen. Hoe langer je daar zit hoe meer je ook in de ban raakt van het verkeer dat op het stoplicht komt aanstormen, op het laatste moment met piepende remmen stopt en vervolgens met loeiende motor weer optrekt. Waar is het oude bermtoerisme toch gebleven? Toen ’s zondags bij mooi weer hele gezinnen, een tas vol boterhammen en chocomel, met de brommer op pad gingen, om dan ergens in het gras langs de kant van een drukke weg naar auto’s te kijken? Waarschijnlijk rijden de bermtoeristen van vroeger nu zelf over de weg.
Vlak langs de uitvalsweg staan rijen flats waar wel mensen wonen. Worden die dan niet gek van dat eeuwige verkeerslawaai? En al die andere mensen langs snelwegen, spoorbanen, overal waar de decibellen en de vuile lucht alle normen overschrijden? Als dat niet uitmaakt, is een huis op een rotonde misschien niet eens zo’n gek idee, heb je in ieder geval geen last van de buren.

Het draaiende huis op de rotonde is bedacht door architect/beeldend kunstenaar John Körmeling (1951). Hij bedacht meer onverwachte, originele en ook vernuftige zaken, zoals een plan voor snelwegen met aparte rijstroken voor verschillende snelheden en functies, een afspraak-uitkijkplateau voor reizigers op drukke metrostations; voor Panorama 2000 in Utrecht bouwde hij het Drive in Wheel: de auto in het reuzenrad, een wielklem om en dan omhoog. Een mooie oplossing voor het parkeerprobleem in de stad, jammer genoeg werd het na de tentoonstelling weer weggehaald. Op Schiphol staat in Lounge West zijn Hahahihi, in het stadspark Valkenberg in Breda een door hem ontworpen snackbar of  T-huis, met daarop in grote letters op het dak SLAGROOM SPAGHETTI KOFFIE WORST IJS – een misselijk makende combinatie vind ik zelf; op de boulevard in Scheveningen, even voorbij museum Beelden aan Zee, een werkplaats annex fietsenstalling van hem met opwekkende teksten als VERSE LUCHT FIETS SPAAK VRIEND. In al hun eenvoud hebben Körmelings associatieve woordschikkingen meer uitwerking dan het bombardement aan reclameteksten en -afbeeldingen waaraan we dagelijks blootstaan. Het baken NIEUW dat ik lang geleden zag bij kunstvereniging Diepenheim, is mij altijd bij gebleven. Onlangs werden de gekleurde neonbuizen vervangen en nu straalt het weer als nieuw.
Voor de wereldexpo in Shanghai in 2010 ontwierp Körmeling Happy Street, een straat in de vorm van een 8, het Chinese geluksgetal. De straat is zo goed bevallen dat hij voorlopig mag blijven.

http://www.johnkormeling.nl/

http://www.stroom.nl/nl/kor/project.php?pr_id=8493669

http://nl.wikipedia.org/wiki/John_Körmeling

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Geen categorie

Over de ervaring van het sublieme

Het is nogal wat, de weergave van een overweldigende ervaring. Een schitterende zonsondergang, de weidsheid van de sterrenhemel, het geweld van de natuur, het besef van de vergankelijkheid van het leven… persoonlijke ervaringen maar tegelijkertijd ook weer zo algemeen, dat ze al gauw verworden tot clichés. Het is weinig kunstenaars gegeven dergelijke ervaringen overtuigend weer te geven. Als ze het al zouden willen, want in de kunst heerst al vele decennia een taboe op het uiten van grootse, laat staan verheven, gevoelens. In onze beleving is dat al gauw ‘over de top’, overdreven, sentimenteel, gewend als we zijn aan ‘commentaren’, ‘verwijzingen’, aan ironie, aan de Woody Allens in de kunst: waarheden over leven en dood verpakt in spitsvondige grappen. Ikzelf weet bijvoorbeeld niet zo goed raad met de films van Lars von Trier, waarin ik rechttoe rechtaan meegesleept word door gruwelijke en tegelijkertijd prachtige beelden. In het donker van de filmzaal word ik pats, zo in mijn gezicht, geconfronteerd en overweldigd door mijn diepste angsten.

Met zijn films sluit Von Trier eigenlijk eerder aan bij de periode van de romantiek, toen kunstenaars streefden naar de verbeelding van datgene wat intense emoties teweeg bracht, naar de weergave van de onmetelijke maar ook beangstigende grootsheid van de natuur, door de Engelse filosoof Edmund Burke in 1756 omschreven als: “Het Sublieme, de met ontzag en afschuw vervulde verbeelding in het aanzicht van dat wat duister is, onzeker en verward”.

Dat streven naar de weergave van het sublieme, wat niet per se mooi betekende, integendeel, eerder angstaanjagend en vormloos, was een breuk met de tot dan toe heersende opvatting over kunst, die  het goede en het schone diende weer te geven, als een weergave van Gods schepping, of als afspiegeling van de ideale schoonheid, naar de ideeën van Plato.

Feitelijk bestaat de kwestie van wat kunst ons zou moeten brengen al zo lang als er kunst bestaat, of liever gezegd, zo lang als kunst als kunst wordt beschouwd. Want of de tekeningen in de grotten van Lascaux door de prehistorische mens als kunst werd gezien, dat weten we niet.

Moet kunst ons mooie dingen brengen – d.w.z. overeenkomstig de heersende opvatting over wat ‘mooi’ is? Of moet kunst inzicht bieden in dat waarvoor woorden te kort schieten, het onzegbare, ook al is het duister en onbegrijpelijk? Het blijft een actuele vraag. Hoe vaak hoor je bezoekers van een tentoonstelling niet een werk  beoordelen in termen van ‘mooi’ of ‘lelijk’, of in ‘geen kunst – dat kan een kind ook?’

Daarentegen hoeven de Aboriginals in Australië  niet na te denken over wat kunst is of zou moeten zijn. Bij hen is degene die tekeningen en schilderingen maakt kunstenaar. Een kunstenaar maakt kunst, dus het is kunst als het door een kunstenaar is gemaakt. Ook is mooi of lelijk is niet aan de orde, het is voor hen de betekenis die ertoe doet.

Voor de tentoonstelling Meer Licht in Museum De Fundatie in Zwolle heeft de samensteller, Hans Hartog Jager, werk bij elkaar gebracht van kunstenaars die volgens hem een grootse beleving wilden weergeven, het ‘sublieme’  benaderen. Het is hoog gegrepen. Het merendeel van wat er te zien is biedt niet meer dan een glimp van een indrukwekkende ervaring. Voor een deel ligt het ook aan de omgeving die niet echt meewerkt. De afgepaste witte zalen, andere bezoekers die graag laten horen wat ze ervan vinden, rondrennende kinderen (het is zondagmiddag).

Ondanks alles toch twee kunstwerken die wel een indringende sensatie teweegbrengen, Everything is going to be allright van Guido van der Werve uit 2007: een kleine figuur op een onmetelijke ijsvlakte, vlak achter zich een enorme ijsbreker die zich met veel geraas een weg door het ijs baant, beangstigend en indrukwekkend, en David Claerbout’s Long Goodbye (2007): een vrouw verschijnt in beeld, met trage bewegingen schenkt ze thee, in slow motion draait ze zich om, ze zwaait, ze blijft zwaaien, op het terras worden de schaduwen langer, het wordt het donker, langzaamaan gaat de vrouw in het duister op. Een herinnering, een droombeeld. De beelden van deze twee video’s blijven mij bij. Het besef van mijn eigen nietigheid, de tijd die onherroepelijk verglijdt.

Het is voldoende.

Meer Licht is nog tot 8 januari.

 

www.museumdefundatie.nl

 

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Geen categorie